Over mij

Wouter

Ik ben Wouter van Erve (24) uit Tilburg. Na zes jaar rechten in Tilburg en een halfjaar politicologie en Engelse literatuur aan Southwestern University in Georgetown, Texas, nu weer, maar voor een jaar, vertrokken naar de Verenigde Staten. Deze keer niet frituren in het Warme Zuiden, maar bevriezen in het Hoge Noorden: een master Amerikaans Recht aan de Universiteit van Minnesota in Minneapolis is het doel.

Denk je nou: daar wil ik meer van weten, en waarom doet die kerel dat nou allemaal, dan ben je van harte uitgenodigd om het verhaal hieronder te lezen. Kost je een halfuur van je leven dat je nooit meer terug krijgt, maar dan weet je alles. Of in ieder geval een hoop.

Maar hoe is dat dan allemaal zo gekomen?

Echt gepland was het allemaal niet. Natuurlijk, ik had er af en toe wel eens over nagedacht, een beetje met de gedachte gespeeld en tijdens wat slapeloze nachten de websites van wat Amerikaanse universiteiten uit lopen kammen. Dat bleek overigens het ultieme recept te zijn om alsnog in slaap te vallen: de marketingspeak van de gemiddelde universiteit blinkt uit door zijn gaapopwekkende saaiheid en deze verkenningstochten leverden dan ook weinig op.

Weg…

Weinig, maar wel een beetje resultaat, want een paar jaar later bleek ik er wel iets aan te hebben. Zo rond mijn vijfde jaar aan de universiteit was ik eens aan het bedenken wat ik het daaropvolgende jaar zou willen gaan doen. Ik had net wat jaren achter de rug waarin ik ‘t naast m’n studie lekker druk had gehad, en in een zwart gat had ik geen trek. In afstuderen ook niet, trouwens. En omdat ik Tilburg ondertussen wel gezien had (tsja, sommige mensen hebben daar ècht vijf jaar voor nodig) begon het idee van in het buitenland studeren weer een beetje op te borrelen. Gecombineerd met een universiteit die bijna verdacht enthousiast campagne voert om je naar het buitenland te krijgen (dat zou iets te maken kunnen hebben met het feit dat die universiteit in Tilburg staat, maar toch) was het besluit snel genomen: ik moest en zou weg.

…naar Amerika!

Al gauw was ik eruit dat Amerika eigenlijk het enige land was waar ik wel naar toe zou willen. Sommige mensen vinden dat vreemd en dat mag, maar ik ben eigenlijk altijd al gefascineerd geweest door het land. De mensen, de politiek, de literatuur: alles straalt dezelfde bravoure uit, het gevoel van “alles kan altijd beter — maar niet beter dan dat wij (probeer je nu het geluid van een borstkloppende baviaan voor te stellen), als Amerikanen, zelf doen.”

En het is net als met echte reclame: op den duur ga je dit soort indoctrinatie vanzelf geloven.

Als je dan ook nog eens een keer echt een bezoek brengt aan het land, zoals ik samen met een hele goede vriend deed in 2005, dan kun je er donder op zeggen dat diezelfde fascinatie niet de neiging heeft minder te worden. En inderdaad: vanaf toen begon het gelazer pas echt. Vanaf toen ging ik de New York Times dagelijks bijhouden. Begon ik met het lezen van weblogs, popcult-sites, magazines, fora — en langzaam maar zeker begon ik me een steeds duidelijker beeld te vormen van de VS. Een heel helder beeld was het alleen niet: m’n belangrijkste conclusie was en is nog steeds dat er nauwelijks conclusies te trekken zijn omdat het land zo. ontzettend. groot. is.

Amerika? Waar ergens dan?

Fast forward naar 2007: dat vage beeld van de VS moest en zou wat helderder worden, en omdat afstuderen toch niet erg hoog op m’n verlanglijstje stondstaat, leek het volgende collegejaar me een uitgelezen tijd om me eens met wat interculturele antropologische studies bezig te gaan houden. (Kijk, en dat vind ik nou het mooie van de wetenschap: die heeft gewoon een zeer chique term voor deze aantrekkelijke combinatie van vakantie en vlucht- danwel uitstelgedrag.) Een aantal andere dingen wist ik ook al heel snel zeker: ik wilde me nu eens niet met rechten gaan bezighouden (na vijf jaar wil je daar ook wel eens niet aan denken), ik wilde het ‘echte’ Amerika zien (en dus eens niet alleen die liberale oostkust zien) en ik wilde ook niet m’n winterjas hoeven meenemen naar m’n bestemming. Dat laatste klinkt erg triviaal en dat is het ook, maar bij gebrek aan echte selectiecriteria moet je iets, en dan leek dit me nog één van de meer plezierige.

North Carolina…of toch maar niet?

Op basis van deze eisen kwam ik na overleg met Eline van Scherpenzeel van de afdeling internationalisering van de rechtenfaculteit tot de conclusie dat ik me het beste kon aanmelden voor een uitwisseling met North Carolina State University in, jawel, North Carolina. Zuidelijke staat, flinke universiteit en bijna nooit teveel aanmeldingen. Dus: alle formulieren ingevuld, brief geschreven, door Marte en Allen laten nakijken, brief herschrijven, brief inleveren, afwachten. Een maand later, een e-mailtje van het international office: “Je bent niet uitgekozen, er waren teveel aanmeldingen.” Shit. Maar er staat meer in het mailtje: “Als je wilt, kun je nog wel naar Amerika via het ISEP-programma.” Yes! Natuurlijk wil ik dat! Opnieuw een hoop formulieren ingevuld, brief een beetje bijgewerkt, door Marte laten lezen, opnieuw een beetje bijgewerkt, en het hele pakket ingeleverd. Ik hoefde nu alleen nog maar te kiezen voor een universiteit, zo werd me verteld.

Men zegt wel eens dat je extra op je hoede moet zijn als men je heel terloops en op onschuldige toon iets probeert te vertellen en dat was hier zeker waar. Het kiezen van een universiteit bestond namelijk uit het doorploegen van een lijst waarop meer dan honderd universiteiten stonden, gerangschikt naar kans om toegelaten te worden. Merde. Hoe kies je daar nou de goede uit? Ondertussen had me wel het bericht bereikt dat m’n oorspronkelijke keus, North Carolina State, het erg goed deed op de ranglijst voor lelijkste universiteiten van het land (een plaats in de top-10 van die lijst in een land met meer dan duizend universiteiten is een prestatie van formaat), dus dat maakte het kiezen alvast wat makkelijker: NC State deed in elk geval niét meer mee. Maar welke universiteiten dan wel? Uiteindelijk kwam ik na veel lezen over alle colleges op de enorme lijst van ISEP (daar raak je op een gegeven moment erg vlot in: zinsnedes “farm school” en “very religious” gaan je opvallen) uit op een lijst van zo’n tien universiteiten, bijna allemaal wat kleinere liberal arts colleges en de meesten in gebieden waar ik m’n winterjas voor kon thuislaten.

In afwachting van de beslissing maar alvast wat nuttigs uitgevoerd: een TOEFL-test gedaan, want die zou ik hoe dan ook nodig hebben (ka-ching), en een Amerikaanse ziektekostenverzekering geregeld (ka-ching).

Yee-haw!

Een paar maanden later hoorde ik dat het Southwestern University in Georgetown, Texas was geworden. Niet m’n eerste keus, ook niet m’n tweede, maar wel een universiteit die ik zag zitten. Kleine klassen, mooie campus en een leuk aanbod van vakken, maar wel twee nadelen: niet in een grote stad (gelukkig is Austin, TX wel vlakbij) en een studentenpopulatie die op z’n zachtst gezegd niet erg divers is. Dat laatste kon ik al snel ombuigen in een voordeel (“des te specialer ben ik”, ahem) en over dat eerste puntje kom ik ook wel heen.

Dat ik ècht in de VS zou gaan studeren was nu wel zeker en het regelwerk kon nu dus echt beginnen. Het visum was daarvan nog het meest tijdrovende en het meest bizarre van alles.

Visum

De visumaanvraag voor Amerika lijkt zo’n simpel proces. Alsof de Amerikanen erg goed hebben gekeken naar de Nederlandse Belastingdienst, begint alles met een telefoontje. Een telefoontje dat weliswaar $15 kost, maar hey, die Amerikanen moeten ook eten en met de koers van de dollar is dat niet makkelijk…dus daar doe je niet moeilijk over, en je houdt je creditcard paraat. Dan bel je, dan worstel je het in een vreselijk accent opgestelde telefoonmenu door en dan kom je in de wachtrij terecht. En dan wordt het je opeens zwart voor de ogen.

In plaats van een wachtmuziekje voor de vijftien minuten die je in de wacht staat, krijg je namelijk de hele procedure, inclusief de namen van de mee te nemen formulieren te horen. En als ik je vertel dat die hele procedure in een wachttijd van vijftien minuten in een staccato monoloog precies twee keer kan worden uitgelegd, dan snap je wel dat je daar kort, heel kort behoorlijk wanhopig van kunt worden. Dat slaat echter snel om in ergernis: na die twee keer uitleggen en het nog steeds niet beschikbaar zijn van een callcenterpersoon wordt de verbinding namelijk gewoon verbroken. De snelle lezer heeft door dat je dan dus nog een keer moet bellen en dat die ergernis er dan waarschijnlijk niet minder op wordt. Voordeel is wel dat je de procedure in ieder geval kunt dromen — dat dan weer wel. Krijg je dan uiteindelijk gehoor, dan word je niet meteen vriendelijk begroet en excuseert men zich ook niet voor de lange wachttijd, nee: je wordt begroet met een vraag, of eigenlijk meer een bevel: “Creditcard number, please.” Gezellig!

Enfin, afspraak gemaakt en $15 lichter maar eens begonnen aan het invullen van De Formulieren. Gedwee geantwoord op vragen over explosieven, eventuele gepleegde terroristische aanslagen, crimineel verleden, werkgevers, familie en referenties. Ondertussen ook nog even een bescheiden regenwoud gekapt om alles te kunnen printen (serieus, wat een idiote stapel was dàt, zeg) en alle ondersteunende documentatie verzameld: pasfoto’s (op speciaal formaat, natuurlijk), bankafschriften (tot 3 maanden terug), een SEVIS-verklaring (een A4-tje van $100), een DS-2019 formulier (van ISEP) en een aangetekende, aan mezelf geadresseerde envelop. Voor, als alles goed gaat, m’n paspoort mèt hip nieuw visum! Alles mee te nemen naar het consulaat, tijdens m’n afspraak.

Dat was zover op 24 juni. Na het afgeven van een Vrijspraak-flesopener bij het hek (ik weet nog steeds niet of de beambte gewoon een fan was of dat ze echt dacht dat ik met zo’n ding de consul zou attaqueren), m’n papieren bij de deur en m’n tas bij de dikke neger in een hokje mocht ik naar binnen en in een scharrig zaaltje gaan zitten wachten. Daar bevonden zich naast mij een paar laconieke KLM-piloten en -stewardessen, een vrouw die later één van de lokettisten om de nek zou vliegen uit dankbaarheid en vooral heel veel studenten. Allemaal hadden we twee dingen gemeen: we mochten 90 euro afrekenen voor een klein stukje papier, en we hadden allemaal papieren bij ons waar niemand naar zou kijken. Dat uitgeprinte regenwoud kwam namelijk aan de procedure nauwelijks te pas: het draaide vooral om vingerafdrukken en het antwoord op wat vragen van een lokettist. Mooiste voorbeeld: zojuist het formulier overhandigd hebbende, de vraag krijgen: “Maar wat ga je nou eigenlijk doen, in de VS?”

En nu wegwezen!

Hoe stupide ook: drie dagen later lag wel m’n paspoort weer op de mat, mèt een visum. Gelukt dus, en dat was waar het allemaal om draaide. Ik kon nu ècht weg!