“Silence Is Not An Agent of Change”

Onderstaand stuk is eerder dit jaar gepubliceerd in SecJure, het faculteitsblad van de rechtenfaculteit van de Universiteit van Tilburg. Ik publiceer het hier nogmaals, als afsluiting van het hoofdstuk Texas.

“You did good, man. Really good, I’m impressed.” Zomaar een dinsdagmiddag begin oktober, 2008. Het is het einde van m’n college Survey to American Literature en dr. Gaines, David stopt me nog even op m’n weg naar buiten. “I hope you liked it as much as I did,” zegt-ie, en nog voordat ik precies weet wat er gebeurt slaat hij zijn beide armen om me heen en staan we tehuggen, in het midden van het klaslokaal waar we het afgelopen uur nog met zo’n vijftien man uitgebreid geprobeerd hadden om door te dringen tot het wezen van kapitein Ahab in Moby Dick.

Het zou niet de laatste keer zijn dat dr. Gaines me om m’n nek zou vallen. Van de dag na de overwinning van Barack Obama op John McCain—terwijl ik m’n “The Dutch ♥ Obama” T-shirt droeg—tot op de laatste dag die ik aan Southwestern University doorbracht en hij nog even langskwam om afscheid te nemen.

Southwestern University: een kleine universiteit van maar 1.259 studenten in Georgetown, op een halfuur van Austin, de hoofdstad van de staat Texas. Een universiteit niet veel groter dan een gemiddelde Nederlandse middelbare school, in een klein stadje in het midden van een staat die zeventien keer zo groot is als het land waar je vandaan komt en waar in totaal zo’n 24 miljoen mensen wonen. De staat van olie, cowboys en knauwende accenten en waar, om niet te vergeten, de o-zo-populaire drieënveertigste president van de Verenigde Staten vandaan komt. Wat heeft iemand uit Tilburg daar nu te zoeken?

Het is een vraag die ik mezelf eigenlijk nooit heb gesteld. Eind 2007 kreeg ik het in m’n hoofd dat ik in het buitenland wilde gaan studeren, en dan het liefst in de Verenigde Staten. Een lichte fascinatie voor het land had ik altijd al, maar ik had er nog nooit gestudeerd en ik wilde er eigenlijk ook wel eens echt een tijdje ‘wonen’. De universiteit bood verschillende mogelijkheden, zowel op het niveau van de faculteit als universiteitsbreed, en ik begon dan ook maar met het verkennen van m’n opties. Hoe meer ik las en hoe langer ik rondkeek, hoe meer ik me realiseerde dat ik eigenlijk wel eens een break wilde nemen van rechten studeren. Ik was op dat moment vijfdejaars en ik wilde wel eens wat anders doen dan wat ik de voorgaande jaren had gedaan. Dat, en het feit dat je universiteitsbreed de keuze had uit meer bestemmingen (hoe oppervlakkig ook, een plek met een íets gunstiger herfstklimaat dan Nederland had de voorkeur…), leidde me uiteindelijk naar ISEP: het International Student Exchange Program.

De universiteit had me al gewaarschuwd, en niet onterecht: wanneer je voor een ISEP-uitwisseling kiest, krijg je te maken met formulieren. Een hele hoop formulieren. Voor aanmelding, verzekering, referenties, taaltesten, visum en ‘financiële stabiliteit’: voor alles was wel een formulier. Het meeste werk ging echter zitten in het uitkiezen van de bestemming. Of nou ja, uitkiezen: het samenstellen van een lijst met plekken waar ik eventueel wel naartoe zou willen. In tegenstelling tot veel andere uitwisselingsprogramma’s heb je bij ISEP namelijk niet zèlf het laatste woord, maar is het de ISEP-organisatie in Washington, DC die uiteindelijk bepaalt waar jij een halfjaar mag gaan studeren. Dat maakt het spannend, maar ook lastig: kies maar eens tien universiteiten in Amerika, van een lijst van (toen) 128 opties, waar je vakken kunt volgen die je leuk vindt, die in gebieden liggen waar je heen wil en waar je ook nog eens een redelijke kans hebt om binnen te komen… Hèb je die eenmaal gevonden, dan is het de bedoeling dat je voor ieder van die universiteiten een (voorlopig) vakkenpakket moet samenstellen èn een motivatie waarom je juist aan díe universiteit studeren. Dit laatste is volgens mij stiekem een undercover-test in slappe verhalen ophangen, want na twee van die stukjes ben je je oprechte inspiratie al wel kwijt—en dan moet je er nog acht… Oprecht of niet, alle universiteiten op m’n lijst waren bewuste keuzes: kleine liberal arts-universiteiten in gebieden waar ik zelf niet zo snel naartoe zou gaan op vakantie. M’n lijst stond dus vol met plaatsen als Memphis (Tennessee), Clemson (South Carolina) en Little Rock (Arkansas). Echte wereldsteden.

Hoe dan ook, op een zeker moment had ik een goede halve kilo aan papier bij elkaar gesprokkeld en verdween de hele zaak richting The Powers That Be in Washington, DC. En een maand of twee later was daar dan eindelijk het verlossende woord: ik mocht komen, en wel naar Southwestern University in Georgetown (Texas). Een, volgens de inwoners en de universiteit zelf, vrij nietszeggend stadje in het midden van het Texaanse heuvellandschap, bestaande uit zo’n 40.000 inwoners, zeven golfbanen en nul bussen, treinen of trams.

Na eerst nog ‘even’ een visum voor Amerika geregeld te hebben (‘even’, want die vriendelijke Amerikanen vragen je eerst het hemd van je lijf: van saldo van je bankrekening tot naam van je werkgever en als klapstuk natuurlijk een setje pasfoto’s op een voor Nederland ongebruikelijk formaat), was het op 19 augustus 2008 dan eindelijk zover: m’n vlucht naar Amerika zou vertrekken: van Amsterdam zou ik eerst naar Londen vliegen, van Londen vervolgens naar Dallas in Texas en van Dallas tot slot naar Austin, waar ik zou worden opgewacht door mensen van Southwestern. Alles bij elkaar een vlucht van ongeveer 14 uur. Van te voren was ik nog even bang dat British Airways m’n bagage zou kwijtraken in Londen (ik vloog op Terminal 5 van Heathrow, die niet alleen zo heet omdat dat nu eenmaal een logische volgorde is, maar ook omdat daar gemiddeld 5 van de 10 koffers worden verloren), maar die angst bleek ongegrond: in Dallas had ik m’n koffers nog steeds. In Austin, een halfuur vliegen daarvandaan alleen niet meer. Maar op de een of andere manier had dat dan wel iets komisch: alles gaat 13,5 uur goed, en in het laatste halfuur krijg je alsnog met Murphy te maken.

De rit naar de campus van ongeveer een halfuur zorgde meteen voor de eerste cultuurschok: Texas is helemaal niet plat, zanderig en dof, maar er zijn heuvels en je ziet er zelfs bomen staan! Jawel, een korte uitleg van mentor Noah leerde dat we hier midden in het deel van Texas waren dat men Hill Country noemt. En dat was inderdaad best een accurate beschrijving. Eenmaal op de campus (precies wat je je erbij zou voorstellen overigens: keurige net-echt-antieke gebouwen temidden van keurig gemanicuurde grasveldjes, waarlangs eens in de zoveel tijd een campus cop in een golfkarretje langspatrouilleert) bleek dat Murphy nog een tweede keer had toegeslagen: het gebouw waarin de Duitser en ik onze kamers zouden hebben was nog niet klaar, en we zouden zolang ergens anders worden ondergebracht. Als je iemand in het Amerikaans “temporary residence” hoort zeggen heb je daar over het algemeen niet meteen de meest juichende associaties bij, maar het viel alles mee: Duitser Jhonny (nee, geen spelfout!) en ik kwamen terecht in een prima appartementje in het McCombs Center. Leuk: keukentje, woonkamer en twee aparte slaapkamers. Prima geregeld en dus van daaruit toen maar eens begonnen met het verkennen van de campus, waarbij je er dan toch echt achterkomt dat je aan het klimaat nog niet ècht gewend bent: het was er 37ºC en de luchtvochtigheid was 80%, kortom, cultuurschok nummer 2!

Terwijl ik nog lekker deze tweede cultuurschok aan het verwerken was (dat duurde niet zo lang, ik was al lang blij dat ik een keer eens echt van zomerweer kon genieten, en airco in je slaapkamer maakt een hoop goed!), zaten sommige andere uitwisselingsstudenten al in de dubbele cijfers qua onwennige ervaringen. De dertigjarige, buitengewoon devote Finse bijvoorbeeld had meer weg van Alice in Wonderland, zo verbaasd als ze altijd was en bleef. En Jhonny de Duitser had ook wat aanpassingsprobleempjes: het amicale gedrag van de gemiddelde Texaan botste af en toe een beetje met zijn stugge Duitse gedrag. (Dat-ie ook nog eens volstrekt gespeend was van enig gevoel voor humor hielp overigens niet.)

Ondertussen rolden we met z’n allen vrolijk door alle oriëntatieactiviteiten heen. Belangrijkste punt voor de universiteit—of althans, zo leek het—was de informatie sessie over de honor code. Het wordt een beetje op z’n Amerikaans gebracht natuurlijk, maar eigenlijk is het wel een mooi systeem: alle studenten ondertekenen in hun eerste week op de universiteit de honor code, waarmee ze beloven zich tijdens hun tijd op Southwestern integer te gedragen, en dat ze, wanneer ze zien dat iemand anders dat niet doet, ze die ander op zijn verantwoordelijkheid zullen wijzen of zullen aangeven bij de Student Judiciary, een soort examencommissie, maar dan geleid door studenten. Klinkt vervelend, maar is het niet, eigenlijk: het zorgt juist voor een heel ontspannen sfeer ten opzichte van plagiaat en fraude. Iedereen weet wat wel en niet mag, en iedereen vertrouwt op elkaar dat alles netjes volgens de regels gaat. Onder ieder werk dat je produceerde, of het nou huiswerk of een tentamen was, moest de volgende zin staan, met een handtekening: “I have acted with honesty and integrity in producing this work, and am unaware of anyone who has not.” Daarmee was de kous af, en kon je rekenen op het vertrouwen van de universiteit die daardoor tijdens tentamens geen surveillanten inzette en het gewoon toestond om tijdens je tentamen even naar buiten te gaan voor een frisse neus, of een bezoek aan het toilet. Zolang het tentamen maar op tijd af was. En als je zoals ik een tentamen liever een keer een dag eerder maakt dan de rest, omdat dat beter uitkomt, dan laat de professor je dat tentamen rustig in de bieb maken, als hij het ongeveer drie uur later maar een keer terugheeft. Dat vertrouwen, dat twee kanten op werkt, da’s eigenlijk best wel heel erg fijn. Dat, en het scheelt je ook de ergernis van de omgang met surveillanten…

De honor code mag dan voor de universiteit wel het hoogtepunt van de week zijn geweest, voor ons waren dat toch meer de sociale dingen. Een eerste trip naar Austin (de grote stad! Hij bestaat echt!) was erg geslaagd—zelfs Jhonny glimlachte af en toe toen bleek dat er mensen mee waren die een klein woordje Duits spraken. De Amerikanen deden werkelijk waar alle moeite om het ons naar de zin te maken en waren uitzonderlijk lief en gastvrij. En voor iemand die zich het contact met Texanen toch wat anders had voorgesteld, ook nog eens verrassend liberaal en open minded! Toen begon het bij mij wel te dagen dat de komende paar maanden in Texas wel eens heel anders zouden kunnen gaan verlopen dan ik me had voorgesteld…

“Anders” is overigens ook de manier waarop Amerikanen dansen tijdens feestjes, overigens. Enige waarschuwing vooraf was daar wel prettig geweest, want als je als nuchtere Hollander voor het eerst op een frat-feestje komt en je bent nog niet helemaal op de hoogte, dan sta je toch even raar te kijken. Het feestje had een thema, het was een swamp partySwamp als in ‘moeras’, dus inclusief een overdaad aan camouflagekleding, camouflagenetten all over the place en een hoop angstaanjagend geschminkte mensen. Dat, en het was overal erg donker. Nou was dat misschien ook wel beter ook, en misschien hadden ze het licht voor de aardigheid nog wat meer kunnen dimmen, want de manier van dansen daar was wel heel, ehm, ‘speciaal’. Speciaal als in “werkt lekker op de lachspieren” en als in “o mijn god”, overigens. Het is het soort dansen dat je in Nederland alleen in de meest vunzige Rotterdamse R&B-clubs/Bananenbars tegenkomt, namelijk alleen, en dan ook echt alléén dansen door middel van close contactGrinding noemen ze dat daar, en dat is ook precies wat het is: schaamteloos tegen elkaar op staan rijden. Sommigen nemen het iets serieuzer dan anderen (“serieuzer” is in dit geval een synoniem voor “vunzig”, overigens), maar iedereen doet het.

De tweede verrassing op het feestje, zowel goed als slecht, was de drank. Die is gratis. Jep, je betaalt er op feestjes van fraternities niks aan entree, en ook niks voor je drank. Je kunt dus, als je dat zou willen, volledig gratis volledig afgetankt naar huis. Dat is nog best een uitdaging, want naast heel erg gratis, is het bier ook nog eens heel erg slap. De smaak is nog het beste te vergelijken met Amstel, een beetje urineachtig, maar dan iets wateriger. Met andere woorden: je hebt eigenlijk het gevoel alsof je de hele avond aan een infuus Buckler staat te lurken. Voor de Amerikanen is het allemaal wat spannender: die zijn na twee van die waterbiertjes in hun mik al helemaal hoteldebotel en dat is zeker in combinatie met hun manier van dansen bijzonder hilarisch. Beeld je het volgende in: twee intimiderend grote negers die full frontal met hun onderlichaam staan op te rijden tegen twee jongedames die zich op een aanpalende bank bevinden en die daar bijzonder van lijken te genieten…

Ondertussen moest er ook nog verhuisd worden van het tijdelijke appartementje naar m’n definitieve kamer. Ik had nog geprobeerd om het tegen te houden, maar er zat echt niks anders op: ik moest echt verkassen naar Moody-Shearn Hall. En ja, als we het dan toch over verrassingen hebben: het is dan echt wel even wennen om vanaf dat moment een kamer van zo’n 25m2 met een ander te moeten delen. Dat betekent in ieder geval 0 privacy, maar ook weinig ruimte. Gelukkig bleek Nick, mijn kamergenoot, een aardige kerel, maar als duo waren we zo ongeveer verschillend als dag en nacht. Hij: een klein (1.50m) Mexicaans mannetje van 18; ik: een 1.90m lange Hollander. Het samenwonen ging op zich best prima, eigenlijk tegen alle verwachtingen in. Het is alleen éven wennen als je op een gegeven moment ’s avonds laat binnenkomt en er achterkomt dat je kamergenoot een voorliefde heeft voor homopornofilms. Tsja, dan sta je toch even met je ogen te knipperen (zie ik dat goed?!) en wanneer je je realiseert dat je inderdaad ziet wat je ziet je je toch echt beter even kunt omdraaien om buiten even iemand uit Nederland wakker te bellen met deze mededeling. (Hugo, nogmaals bedankt voor je mental support.) Verderop in het semester kwam het nog wel een paar keer voor, en de schok is dan weliswaar niet zo groot als de eerste keer, maar stiekem verwacht je zoiets toch nooit echt te zien als je de deur van je kamer opentrekt. Maar dat kan natuurlijk ook aan mij liggen.

M’n suitemate (de jongen in de aangrenzende kamer met wie Nick en ik de badkamer deelden) was eigenlijk nog intrigerender. Hij was het levende bewijs dat ik toch ècht in de Bible Belt van Amerika terecht was gekomen. Stephen, zoals hij heette, was namelijk zwaar Christelijk. Zéér zwaar: hij speelde twee keer per week gastheer voor zijn bijbelstudiegroepje, zong iedere avond voor het slapengaan gezellig wat worship songs (hij was ook heel consequent: het maakte hem niks uit of-ie nu om 23:00 of om 04:00 ging slapen, gezongen zou er worden) en had bijzonder intrigerende Facebook-statussen (“Oh Lord, I’m ready! Take me! Take me! Take me!”). Toen ik dat vervolgens daar aan een buitengewoon liberaal treehugger-vriendinnetje vertelde, zei die “oh, dat wist ik wel, maar ik had het je nog maar niet verteld omdat ik je niet bang wilde maken”. Hartstikke lief natuurlijk van deze vriendelijke treehugster, maar dat dat angstige gevoel redelijk vanzelf komt als je die liedjes hoort, was waarschijnlijk nog niet helemaal doorgedrongen.

Na de eerste twee weken heb je de meeste cultuurschokken gelukkig wel achter de rug en toen begon het leven tussen en met de Amerikanen pas echt. Vrijwel alleen met Amerikanen ook, overigens, want naast mij waren er nog maar vijf andere studenten op Southwestern die níet uit de Verenigde Staten kwamen. Integreren was dus niet optioneel, het móest—en ik denk dat dat mijn tijd daar dubbel zo leuk heeft gemaakt. Door continue met Amerikanen om te gaan, zowel in als buiten college, ben ik me er bijna als vanzelf heel erg thuis gaan voelen. Ik heb er ontzettend leuke vrienden gevonden, en ben erachter gekomen dat het soms misschien wel lijkt alsof Amerikanen een beetje onnatuurlijk vriendelijk zijn, maar dat ze het in negen van de tien gevallen wel ècht menen. Iedereen was toegankelijk en groepen waren altijd inclusive in plaats van exclusive. Het is zo ontzettend leuk om erachter te komen dat leven in het buitenland niet moeilijker is dan thuis, dat ik me net zo makkelijk kan thuis voelen in Tilburg als in Georgetown. Ik heb er dingen gedaan die ik in Nederland nooit gedaan zou hebben: ik werd actief bij de Students for Environmental Activism and Knowledge en daarmee dus officieel boomknuffelaar (het knuffelen gaat er daar wel net iets minder extreem aan toe dan hier…), ik heb kiezers geregistreerd voor de presidentsverkiezingen en vrijwilligerswerk gedaan. Allemaal alleen maar omdat het kón, omdat het op de campus gebeurde en omdat ik het gevoel kreeg net zo welkom te zijn als alle anderen.

Het idee erbij te horen werd nog eens versterkt door de verkiezingskoorts die het hele semester in de lucht heeft gehangen. De campus van Southwestern leek een Democratische oase, dus de overgang van Europese politieke denkbeelden naar daar was niet zo heel erg enorm als hij had kunnen zijn. Maar het meest verbaasd heeft me de vechtlust en de hoop die er al die maanden was om iets aan het eigen land te doen. Politiek was zo’n ongelooflijke big deal en de buzz die in de lucht hing door al het grassroots-activisme was enorm. En toen Barack Obama op die 4de november ook daadwerkelijk won, leverde dat de grootste euforie op die ik ooit naar aanleiding van een verkiezingsuitslag heb gezien. Het idee dat er op dàt moment, tijdens díe overwinningsspeech van Obama iets concreets veranderde aan de essentie van de Verenigde Staten was zo voelbaar, dat je er, zelfs als Europeaan, wel kippenvel van móest krijgen.

Dezelfde warmte was ook goed voelbaar tijdens colleges. Ze werden gegeven in heel erg kleine groepen—het grootste college dat ik had bestond uit zo’n 15 studenten—en omdat Southwestern een liberal arts-universiteit is, kwam je in ieder college mensen uit alle jaren en met allerlei verschillende achtergronden en majors tegen. Maar je kon er altijd op rekenen dat ze het vak heel bewust gekozen hadden. Want als je in principe alles kunt kiezen wat je wil, dan kies je de dingen die je interessant vindt om te weten, en dan ben je ook zwaar gemotiveerd in de colleges. (Dat, en een collegegeld van zo’n $45.000 per jaar zorgt ervoor dat je niet gaat lopen lanterfanten.) De eerste colleges die ik daar had heb ik geïntimideerd zitten luisteren naar de discussies: wat leken de anderen allemaal ontzettend slim! Maar al snel bleek dat meedoen helemaal niet zo moeilijk was, en dat professoren echt hun uiterste best doen om in iedereen het beste naar boven te halen. Ze zijn waanzinnig toegankelijk en de professoren waar ik college van had, stonden altijd voor me klaar. College werd een persoonlijk iets: m’n profs speelden in op wat ik interessant werd en namen vaak na college uit zichzelf nog ruim de tijd om nog eens bij te praten, te luisteren wat je nou van het college vond. In de colleges zelf was het eigenlijk altijd wel discussie, en had vrijwel iedereen altijd echt wel iets te melden. Onderuitgezakt luisteren naar wat een docent twintig meter verderop beneden in de zaal te melden had, was er in ieder geval nooit bij.

De vakken die ik daar had gekozen waren allemaal vakken die ik nog nooit gedaan had en die met rechten niets te maken hadden, vakken als American Political Thought en Survey of American Literature. Ik wist er echt niks van voordat ik er aan begon, anders dan dat ik wel eens een boek gelezen had natuurlijk, en als dan blijkt dat je het leuk vindt en ook nog eens een A+ terugkrijgt voor één van de papers die je moest schrijven, dan voelt dat heel erg lekker: blijkbaar beheers je het kunstje, minstens net zo goed als alle anderen—je voelt je op je plaats.

Dat besef dat ik aan Southwestern op m’n plaats was, kwam, wrang genoeg, in de op één na laatste week van het semester in zijn volle omvang tot uitdrukking. Op 4 december, in de avond, overleed Rob Atkinson door een verkeersongeval, waarbij hij door een andere Southwestern-student werd aangereden, volledig per ongeluk en zonder schuld. Rob was een ontzettend toffe vent en ik was gedurende m’n semester daar bevriend met ‘m geraakt. Na het ongeluk trok de hele campus naar elkaar toe en ook al kende ik Rob pas kort in verhouding tot veel van m’n vrienden: dat was geen issue. Met z’n allen, studenten en docenten tegelijk, deelden we het verlies, en iedereen even hard—iedereen kende Rob. Dat moment, die intense week, heeft me doen realiseren dat ik allang geen buitenstaander meer was, maar dat ik tussen alle anderen stond, dat hún wereld langzaamaan ook de mijne was geworden.

Misschien heb ik geluk gehad, misschien ook niet—maar op basis van wat ik heb meegemaakt kan ik alleen maar hopen dat iedereen eens de kans grijpt om zo’n mooie tijd in Amerika te hebben. Dat mijn tijd zo mooi is geweest is denk ik voor een belangrijk deel te danken aan de grootte van Southwestern: klein, erg klein. Ik denk dat dat het contrast met Nederland heel erg heeft versterkt en dat Amerika daardoor weliswaar heel anders voelde dan thuis, maar ook meteen heel erg vertrouwd. Het dwong me om te Amerikaniseren, om om te gaan met Amerikanen en niet alleen maar met andere uitwisselingsstudenten, en om deel uit te maken van het grote geheel. Het kleine van de universiteit maakte ook het contrast in onderwijs nog groter, en gaf me de kans om te proeven van een soort onderwijs die ècht anders is dan wat je in Nederland krijgt voorgeschoteld. Gaan studeren in Amerika is een bewuste keuze en geen kwestie van afwachten en maar zien wat er gebeurt. Het is iets waar je constant mee bezig bent en waarbinnen de nadruk heel erg op zelfstandig nadenken ligt. Je wordt opgeleid met de ambitie om later iets tot stand te kunnen brengen, om wat voor je omgeving, je land of de wereld te kunnen betekenen. “Silence is not an agent of change,” was er ergens in het voorlichtingsmateriaal van Southwestern te lezen en dat motto was voelbaar op de campus, waar iedereen altijd bezig was. Dezelfde mentaliteit was in mijn ogen de drijvende kracht achter de campagne van Barack Obama—de mentaliteit dat met hoop, motivatie en inzet enorm veel valt te bereiken.

Terugkijkend zijn de hugs die ik tijdens m’n semester aan Southwestern van dr. Gaines kreeg (zoals je merkt heb ik wat moeite met de Nederlandse vertaling ‘knuffel’—dit om nodeloze associaties met Big Brother Ruud zoveel mogelijk te vermijden…) wel een goede samenvatting van m’n semester in de Verenigde Staten. Het was persoonlijk, het kwam heel dichtbij—en het heeft me voorgoed veranderd.